10.000 uur doelbewust trainen geen garantie voor topprestatie

Het ook in de sport alom geaccepteerde idee van de Zweed Anders Ericsson dat 10.000 uur doelbewuste training noodzakelijk is om de absolute top te bereiken is volgens Amerikaanse psychologen niet waar. Andere factoren zoals talent, intelligentie en de leeftijd waarop iemand begint met trainen spelen minimaal net zo’n grote rol.

Public Affairs Office Fort Wainwright

In 1993 poneerde de Zweedse psycholoog K. Anders Ericsson de stelling dat o.a. musici, wetenschappers, atleten 10.000 uur doelbewust moeten trainen (‘deliberate practice’) om de absolute top te bereiken binnen hun domein. Omgerekend komt dit neer op 10 jaar lang 20 uur per week doelbewust trainen. Deze doelbewuste trainingen zijn gericht op het verbeteren van elementen van de prestatie waar de atleet nog niet perfect in is. Hoewel het ’10.000-urenmodel’ de afgelopen 20 jaar breed is gedragen en zeer dominant is geweest in de trainingsleer en de wetenschap, komt er steeds meer kritiek op de visie van Ericsson. Zo houdt de Zuid-Afrikaanse sportwetenschapper Ross Tucker op zijn weblog ‘The Science of Sport’ een uitgebreid en goed onderbouwd pleidooi tegen de visie [1]. Tucker krijgt sinds kort bijval van een groep Amerikaanse psychologen onder leiding van David Hambrick. Samen met 4 collega’s heeft Hambrick de data van 14 studies naar de relatie tussen doelbewuste trainingsuren en de prestatie geanalyseerd voor schakers en muzikanten.

 

Voor het schaken zijn de data van 6 afzonderlijke studies gezamenlijk geanalyseerd. Daaruit blijkt dat de hoeveelheid doelbewuste trainingsuren slechts 34% van de schaakprestatie (op basis van de Elo-schaak-rating) verklaart. Dat betekent dus dat de overige 66% van de schaakprestatie van andere factoren dan doelbewuste training afhankelijk is. Voor musici bestaat geen objectieve ranking zoals voor schakers. Daarom is de prestatie van de onderzochte musici bijvoorbeeld beoordeeld door experts of aan de hand van het aantal goed gespeelde noten. Bij de musici blijkt op basis van de data van 8 studies het aantal doelbewuste trainingsuren slechts 29,9% van de prestatie te bepalen, wat dus 70,1% overlaat voor andere factoren.

 

Uit de analyse van de schaak- en muziekdata trekken de auteurs de conclusie dat het aantal doelbewuste trainingsuren ongeschikt is om individuele verschillen in de prestatie te verklaren. Dit illustreren zij onder andere aan de hand van gegevens van 1 van de studies die zij hebben gebruikt in hun analyse. De beste schakers uit die betreffende studie hadden gemiddeld 10.530 uur doelbewuste training nodig om een hoog niveau niveau te bereiken. De spreiding van dit gemiddelde was met 7.414 uur echter enorm. Met andere woorden, er zijn schakers die veel meer trainingsuren nodig hebben dan 10.000 terwijl anderen het met veel minder trainingsuren afkunnen. De spreiding van het gemiddeld aantal trainingsuren is dus een zeer waardevol gegeven. Vandaar dat deze waarde in goede wetenschappelijke studies altijd te vinden is. Ericsson geeft in zijn originele studie uit 1993 deze spreiding echter niet. Het blijft hierdoor in zijn studie volledig onduidelijk hoeveel uur de individuele violisten nodig hadden om de top te bereiken. Dit maakt het des te vreemder dat het 10.000-urenmodel van Ericsson zo breed geaccepteerd is. Daarnaast gaan de gegevens van Ericsson, net als een deel van de gegevens uit de huidige studie, over muzikanten. In de muziek- maar ook in de schaakwereld is de fysiologie geen beperkende factor terwijl dat in de sport vaak wel het geval is. Is 10.000 uur doelbewuste training voor atleten noodzakelijk om de top te bereiken? Vaak niet. Zo behaalde Micheal Phelps al op zijn 15e jaar de 5e plaats op Olympische Spelen na pas 4 jaar doelbewust te hebben getraind. Een Australische skeletonster wist zich zelfs zich te plaatsen voor de Olympische Winterspelen na slechts 14 maanden training. Hoewel dit misschien 2 uitzonderlijke gevallen zijn, duiden ook gegevens van Amerikaanse Olympische atleten op een beduidend lager aantal trainingsuren. Andere factoren dan alleen bewuste training spelen dus klaarblijkelijk ook een aanzienlijke rol. Volgens Hambrick zijn de leeftijd waarop iemand begint met trainen, zijn intelligentie (met name het werkgeheugen) en zijn aangeboren talent minstens even belangrijk. De studie van Hambrick laat in ieder geval duidelijk zien dat voor het bereiken van het allerhoogste niveau meer factoren een belangrijke rol spelen dan 10.000 uur doelbewuste training.

 

P. (Paul) Schermers

__________

[1] http://www.sportsscientists.com/2012/03/10000-hours-vs-training-debate-no.html

Hambrick DZ, Oswald FL, Altmann EM, Meinz EJ, Gobet F, Campitelli G (2013) Deliberate practice: Is that all it takes to become an expert? Intelligence, doi.org/10.1016/j.intell.2013.04.001

Ga naar overzicht

Twitter Feed

RT @TopsportTopics: De trainingsbelasting van teamsporters bepalen? Maak onderscheid tussen de fysiologische en biomechanische belasting ht…

RT @TopsportTopics: Ketonen innemen na een training stimuleert de spieropbouw maar niet de aanvulling van de energievoorraad #supplement ht…

RT @TopsportTopics: Ketonen innemen na een training stimuleert de spieropbouw maar niet de aanvulling van de energievoorraad #supplement ht…

Laat alle tweets zien
Delen:
FacebookTwitter
  • Partners
  • NOC*NSF
  • Vrije Universiteit Amsterdam
  • Kenniscentrum Sport
  • Rijksuniversiteit Groningen