TopsportTopics logo Alles over sport logo

Congresverslag WE Nutrition Conference 2021

Zaterdag 15 mei vond de digitale WorldwidE Nutrition Conference plaats. Vooraanstaande wetenschappers bespraken de laatste stand van zaken en nieuwste ontwikkelingen op het gebied van sportvoeding. Een van de onderwerpen van de lezingen was het syndroom ‘Relative Energy Deficiency in Sport’ (RED-S). Ook was er aandacht voor de rol van glucosemonitoring en de gevolgen van dehydratie voor de sportprestatie.

RED-S

José Areta van de Liverpool John Moores University gaf een kritische kijk op het onderzoek tot nu toe naar RED-S: een langdurig energietekort dat kan zorgen voor slechtere prestaties en gezondheidsproblemen. Hoewel de wetenschap hiervoor momenteel veel aandacht heeft, zijn er nog veel onbekende factoren in de gevolgen van een langdurig energietekort.

Verstoorde hormoonbalans

Lage energiebeschikbaarheid, gedefinieerd als een inname van 30 kilocalorieën per kilo vetvrije massa per dag of minder, leidt volgens onderzoek tot een verstoorde hormoonbalans en metabolisme. Zo dalen de concentraties van het ‘verzadigingshormoon’ leptine en het schildklierhormoon T3, wat kan leiden tot een traag rustmetabolisme. Ook leidt het tot verstoorde balans van geslachtshormonen.

Korte termijn

De moeilijkheid met onderzoek naar RED-S is dat vrijwel alles wat we tot nu toe weten over dit syndroom uit kortetermijnonderzoek komt[1]. Het is namelijk wel mogelijk om onderzoeksvrijwilligers gedurende een paar dagen bloot te stellen aan een energietekort, maar niet veel langer. Zo zijn de eerder genoemde grenswaarde van 30 kilocalorieën en de daling van hormoonconcentraties gebaseerd op labonderzoek dat drie tot vijf dagen duurde.

RED-S, zoals het in werkelijkheid bij topsporters voorkomt, is een proces van maanden of zelfs jaren. We weten daarom niet goed wat er na die drie tot vijf dagen gebeurt. Sommige sporters hebben goede ervaringen met een energietekort van enkele weken of maanden. Uit casestudies blijkt dat sporters die een paar kilo willen verliezen, dit prima kunnen doen zonder verlies van kracht of duurvermogen, door een energietekort te creëren dat onder de 30-kilocalorieëngrens ligt. Mogelijk treden de hormonale problemen en prestatie-achteruitgang pas na langere tijd op, of bij een groter energietekort.

Ingewikkeld

Areta concludeerde dat de relatie tussen energiebeschikbaarheid en het ontstaan van RED-S ingewikkelder is dan de laboratoriumstudies doen voorkomen. Hij ziet geen kwaad in het gecontroleerd en tijdelijk terugschroeven van de energie-inname om enkele kilo’s te verliezen voor een wedstrijd. Ten slotte waarschuwde hij dat het meten van energiebeschikbaarheid niet eenvoudig is: energie-inname en energieverbruik zijn moeilijk te kwantificeren. Hij vindt het daarom belangrijk dat sporters naast deze twee factoren ook regelmatig hun hormoonwaarden, prestaties en lichaamssamenstelling bijhouden.

Glucosemonitoring voor sporters

Asker Jeukendrup, onderzoeker aan de Loughborough University in het Verenigd Koninkrijk, besprak in zijn presentatie de mogelijkheden van een glucosesensor voor sporters. Glucosesensoren zijn erg in opkomst in de topsport, maar er zitten haken en ogen aan deze technologie.

Smartphone

Een glucosesensor, oorspronkelijk ontwikkeld voor diabetici, meet de hoeveelheid glucose in de vloeistof tussen de cellen via een minuscuul naaldje op de bovenarm. De glucoseconcentratie is daarna eenvoudig af te lezen op een smartphone. Een voordeel ten opzichte van een apparaatje dat via een vingerprik de bloedglucoseconcentratie meet, is dat een sensor continue gedurende de dag meet. Voor sporters kan het interessant zijn om de glucoseconcentratie bij te houden om zo het effect van verschillende maaltijden te zien en grote dips tijdens training of slaap te voorkomen.

Interpretatie

Hoewel glucosemonitors praktisch in gebruik zijn en een grote hoeveelheid data geven, waarschuwde Jeukendrup dat de interpretatie van deze data nog niet eenvoudig is. Want in de manier waarop het lichaam de glucoseregulatie reguleert, zijn nog veel factoren onbekend. Ook is glucoseregulatie individueel bepaald. Het is dus niet mogelijk om over ‘goede’ of ‘slechte’ glucosewaarden – met harde afkappunten – te spreken. Daarbij is de hoeveelheid glucose die de sensor meet niet gelijk aan de hoeveelheid glucose in de spier, en zeggen glucosewaarden niets over vetverbranding.

Hongerklop

Toch heeft de glucosesensor voor sporters potentie, volgens Jeukendrup, al vraagt het herkennen van patronen tijd en inspanning. Sommige sporters hebben bijvoorbeeld last van glucosedips tijdens hun slaap, waardoor ze midden in de nacht hongerig wakker worden. Glucosemonitoring kan mogelijk helpen om het effect van verschillende maaltijden op de nachtelijke glucosewaarden te zien. Dit geldt ook voor het effect van de samenstelling en timing van maaltijden voorafgaand aan de training, die kunnen helpen om de glucosewaarden tijdens de training stabiel te houden. Ten slotte liet Jeukendrup aan de hand van een voorbeeldgrafiek van een sporter zien dat je een hongerklop tijdens de training in glucosedata kunt zien, 20 minuten voordat de sporter deze kon voelen. Met een glucosemonitor kun je deze dips dus voorspellen.

Beïnvloedt dehydratie de prestatie?

Lewin James, ook onderzoeker aan de Universiteit van Loughborough, vertelde over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van dehydratie en sportprestaties. Hij begon met het statement dat onderzoekers het erover eens zijn dat prestatieverlies optreedt als sporters minimaal 2 procent van hun lichaamsgewicht verliezen door vochtverlies. Zo gaan sportprestaties en cognitieve functies achteruit bij uitgedroogde sporters.

Nocebo-effect

Toch zijn er veel vraagtekens, vertelde James. Zo verliezen de snelste marathonlopers meer vocht tijdens een race, wat kan oplopen tot wel 10 procent van het lichaamsgewicht. Hierdoor vinden mensen het onwaarschijnlijk dat prestatieverlies al optreedt vanaf 2 procent verlies aan lichaamsgewicht. Daar komt bij dat deelnemers aan veel studies naar dehydratie vooraf weten of ze uitgedroogd zijn, aldus James. Hierdoor kan er sprake zijn van het nocebo-effect. Dit betekent dat sporters slechter zouden presteren omdat ze verwachten dat dehydratie daarvoor zorgt.

Voorkennis

Een studie van Mark Funnell en collega’s in 2019 gaf meer duidelijkheid over de rol van voorkennis[2]. Zij toonden aan dat kennis over de vochtstatus niet de prestatie beïnvloedt. In deze studie wisten wielrenners vooraf niet of ze voldoende gehydrateerd of uitgedroogd waren. Vocht werd namelijk toegediend via een buis door de keel naar de maag. Uit deze studie bleek dat wielrenners harder trapten in gehydrateerde dan in uitgedroogde toestand – ongeacht de kennis over de vochtstatus. Hierdoor concludeerden wetenschappers dat dehydratie wel degelijk zorgt voor slechtere sportprestaties.

3,6 liter per uur

Het riep echter ook de vraag op: als dehydratie de prestatie verslechtert, hoe kunnen uitgedroogde marathonlopers alsnog zo snel rennen? James legde uit dat dit waarschijnlijk komt doordat marathonlopers gewend zijn om in uitgedroogde toestand te presteren. Zo kan marathonlegende Haile Gebrselassie maar liefst 3,6 liter per uur aan vocht verliezen. Hierdoor moet hij vaak in een uitgedroogde toestand presteren, omdat deze enorme hoeveelheid onmogelijk is aan te vullen bij snelheden van 20 kilometer per uur, verklaarde James. Daarbij stipte James aan dat er ook individuele verschillen zijn in hoe goed sporters kunnen omgaan met dehydratie. Het lijkt mogelijk dat sporters deze dehydratie-tolerantie kunnen verbeteren[3].

Strategie

James concludeerde aan het einde van de presentatie dat dehydratie wel degelijk de sportprestatie vermindert. Vanaf welk percentage vochtverlies de prestatie achteruitgaat, verschilt per persoon. Een goede strategie voor vochtinname is daarom cruciaal voor ieder individu per situatie. Hierbij gaf hij drie concrete adviezen: 

  1. Oefen op de wedstrijdhydratie, en train niet op dehydratie.
  2. Verken opties voor het verhogen van de vochtinname (en train de darmen op deze vochtinname).
  3. Hecht belang aan de veiligheid bij uitdroging en geef prioriteit aan rehydratie na inspanning. 

James tipte tot slot om van tevoren te bedenken hoeveel vocht een sporter verliest tijdens een wedstrijd: meet dit vochtverlies in een trainingssituatie. Het belangrijkste blijft om te allen tijde te streven naar het in stand houden van de vochtstatus van sporters. 

Bronnen

  1. Heikura IA, Stellingwerff T, Areta JL. Low energy availability in female athletes: from the lab to the field. Eur J Sport Sci 2021 May 3: 1-11.
  2. Funnell MP, Mears SA, Bergin-Taylor K, James LJ. Blinded and unblinded hypohydration similarly impair cycling time trial performance in the heat in trained cyclists. J Appl Physiol (1985). 2019 Apr 1;126(4):870-879. doi: 10.1152/japplphysiol.01026.2018. Epub 2019 Jan 10. PMID: 30629476.
  3. Fleming J, James LJ. Repeated familiarisation with hypohydration attenuates the performance decrement caused by hypohydration during treadmill running. Appl Physiol Nutr Metab. 2014 Feb;39(2):124-9. doi: 10.1139/apnm-2013-0044. Epub 2013 Jul 26. PMID: 24476466.
Topsport
public, professional
congresverslag